bruinvisbutskopgewone vinvispotvis

Op het strand geworpen zeemonsters

In BN De Stem verscheen op 22 april 2008 een artikel over strandingen van walvissen aan onze kust en in de Westerschelde.

De Noordzee behoort niet tot het leefgebied van de grote dolfijnsoorten en de walvissen.

De bruinvis, die zelden een lengte van twee meter bereikt, komt er wel voor. Vroeger zelfs geregeld ook op de Westerschelde. Net als de gewone dolfijn, die graag schepen vergezelt en helemaal boven het water uitspringt.

Ook een orka, een butskop (beide tot 9,50 meter) of een potvis (tot 25 meter) laat er zich wel eens zien. Dat is echter meer uitzondering dan regel. Van strandingen van ware walvissen op de Westerschelde is één geval bekend (daarover meer verderop).

Dieren die vastlopen op de zandplaten lijken de normale koers kwijt te zijn. Meestal betreft het solitaire exemplaren, soms ook gaat het om een groepje van dezelfde soort.

Ze stranden niet alleen op de kust, maar komen zelfs tot ver in de zeegaten voor. Dat is niet iets van de laatste jaren, dat is een verschijnsel dat zich altijd al heeft voorgedaan. In bijna alle gevallen werd gesproken van ‘op het strand geworpen zeemonsters’. Gelet op de omvang en het uiterlijk van sommige gestrande dieren valt te begrijpen dat die aanduiding gebruikt werd.

Bij oudere strandingen is er veel onduidelijkheid over de vraag om welke soorten het ging. Wetenschappers kwamen er meestal nog niet aan te pas. Het dier werd benoemd met de naam die in die streek gebruikelijk was, als men er al een naam voor had. Bovendien was de wetenschap nog niet zo ver dat er een eenduidige naamgeving voor was. Ook tegenwoordig laat dat zelfs nog wel eens te wensen over. Verder werd er natuurlijk altijd gesproken over vissen. Wat wil je? Ze leven permanent in het water en ze komen nooit aan land tenzij het fout gaat. Dan kis er maar een conclusie: het zijn vissen. Toch zijn het zoogdieren. Ze zijn bedekt met haren, ze ademen door longen en baren levende jongen die met melk gevoed worden. Dat zijn de meest opvallende kenmerken.

Dat alle zoogdieren zeven halswervels hebben, zowel de blauwe vinvis (totale lengte tot dertig meter), als de giraffe of de dwergspitsmuis, is wat moeilijker te zien. Opmerkelijk is ook dat men zelden of nooit trachtte zo’n dier in moeilijkheden te redden. Eerder het tegendeel: hoe krijgen we het zo snel mogelijk te pakken?

Dat valt ook weer te begrijpen. Zo’n kolos, zeker als het een potvis is, waarvan de volwassen mannetjes vijftig ton kunnen wegen, bestaat uit honderden kilo’s spek. Daaruit kan traan gekookt worden en dat is onder meer te gebruiken voor het onderhoud van leerwerk en als lampolie. Van het skelet werd beendermeel gemalen. Zo’n buitenkansje liet niemand schieten.

Een van de oudst beschreven strandingen gebeurde op 2 juli 1577. Tussen de forten Saeftinghe en Haaften – dit laatste fort lag op De Noord – werd op die datum een ‘vis’ gevonden die niet meer kon zwemmen, omdat het water te ondiep was. Hij werd met pieken, haken en ander gereedschap afgemaakt. Adriaen Coenen liet in 1585 zijn Visboeck verschijnen. Over voornoemd geval schrijft hij onder meer dat de vis voor hij werd afgemaakt ‘… afgrijselijk heeft getierd en een enorm misbaar maakte voor hij stierf, zodat het water van onder tot boven werd omgewoeld, geroerd en verstoord. Hij is daarna met touwen en bootjes gesleept naar Haaften. Zijn vel had geen schubben en was net als leer, zo grijs al lood’.

Uit de afbeeldingen die hij maakte, blijkt dat het hier een potvis, Physeter catodon, betrof. Op dezelfde dag strandden er vier: ook een bij Doel en twee bij Biezelinge.

Een andere, goed gedocumenteerde stranding vond een kleine tweehonderd jaar later plaats, namelijk in 1757. Niet aan de oever van de Westerschelde, maar nog veel verder landinwaarts, namelijk aan een zijtak ervan, in het Hellegat. Dat drong toen nog door tot aan Hulst om ten zuiden van Axel langs, verbinding te zoeken met de Braakman.

Pas door de bedijking van de polders Absdale en Riet- en Wulfsdijk in 1789 raakte Hulst die verbinding met de Westerschelde kwijt. Het ‘monster van het Hellegat’ kon tot aan Luntershoek, De Sassing, zwemmen. Het was een butskop, hyperoodon ampullatus. Jan de Vos, kapitein van de burgerwacht in Zaamslag, wist met zijn manschappen het dier op een zandbank te drijven en het vervolgens te doden. Alles werd meegenomen naar Zaamslag. Uit het spek werd traan gekookt en het geraamte heeft lange tijd voor de kerk aan het Plein gestaan. Uiteindelijk belandden de resten in een rommelhok van de kerk tot Gerrit de Zeeuw zijn Schelpenmuseum opende. Wat er nog van over is, bevindt zich thans in zijn collectie. Wie het bekijken wil, kan elke vrijdag van 13.00 tot 17.00 en van 18.00 tot 21.00 uur terecht. Ook op zaterdag van 9.00 tot 12.00 en van 13.00 tot 17.00 uur. Door de week op verzoek via 0115-431233.

Op 10 december 1866 werd bij Terneuzen een gewone vinvis, baleanoptera physalus, aangetroffen en in 1875 ‘een dier van zeven meter’ waarvan de soort niet is vastgesteld.

De twee dieren die op 24 februari 1937 op de Middenplaat bij Terneuzen strandden, waren potvissen. Twee mannetjes, een van 18 meter en 52 ton zwaar, de ander 16 meter lang met een gewicht van 39 ton. De dieren zijn naar Rotterdam versleept, waar meer dan 50.000 mensen kwamen kijken alvorens de kadavers van vlees werden ontdaan.

Op 3 januari 1970 zwom een 16,6 meter lange en 57 jaar oude potvis zich vast op de Spijkerplaat ten noordoosten van Breskens. Het dier werd in die plaats ontleed; het skelet bevindt zich nu in een museum in Düsseldorf.

Bron: BN / De Stem, 22 april 2008