bruinvis

Hoe laat je een bruinvis schrikken?

In onze eigen, koude Noordzee huizen wel vijf soorten dolfijnen. Eén daarvan, de bruinvis, leeft zo dicht onder de kust, dat er regelmatig een exemplaar in een vissersnet verstrikt raakt. Dat leidt meestal tot de dood van het dier. Marien bioloog Ron Kastelein is op zoek naar het juiste geluid om bruinvissen van de netten weg te jagen.

Met zijn vijven staan ze om de tafel heen, terwijl er twee voortdurend sponzen water uitknijpen boven het donkergrijze ruggetje. Telkens wachten ze even totdat het blaasgat zich in een fractie van een seconde heeft geopend en weer gesloten voor een ademteug, want er mag geen water in de longen komen. Ron Kastelein tuurt in de endoscoop en geeft aanwijzingen. Hij constateert wat alg, maar dat is niets verontrustends. Opeens een ontdekking: “Hé, hij heeft een heel klein visje in zijn maag!” De anderen zijn enthousiast: “Gaaf! Dat heeft hij zelf gevangen! Johan, je bent geweldig!”

Meten en wegen
Johan is een bruinvis van anderhalf jaar, 109 centimeter en ruim twintig kilo. Het jonge dolfijntje is in november 1998 gestrand op Ameland, nadat hij zijn moeder was kwijtgeraakt. Omdat hij nog niet voor zichzelf kon zorgen en volledig verzwakt was, werd hij naar Dolfinarium Harderwijk gebracht. Daar is hij een ruim half jaar medisch verzorgd en met de fles gevoed.
Inmiddels is hij gezond en groot genoeg om vis te eten en verblijft hij in Dolfijnen Research en Opvang Neeltje Jans. Gewoonlijk zwemt hij vrolijk rond in de pen, een afgeschermd stukje Oosterschelde dat hij deelt met de tweeëneenhalf jaar oude vrouwtjesbruinvis Rineke. Maar nu is Johan even voorzichtig uit het water getild voor zijn wekelijkse meet- en weegbeurt. Hij wordt van kop tot staart onderzocht op zijn gezondheid. “Dit is een standaard onderzoek,” vertelt Kastelein. “Zo kunnen we nauwkeurig in de gaten houden hoe hij groeit. We waren wel even bezorgd dat hij de kurk had ingeslikt waarmee we hem pas zagen spelen, maar dat is gelukkig niet het geval. Kurk verteert niet, en het zou vervelende gevolgen voor zijn ingewanden kunnen hebben.”
De endoscoop, een cameraatje dat met behulp van een slang via de mond naar binnen wordt geleid, schijnt Johan niet echt te hinderen. Vervelender vindt hij de thermometer in zijn achterste. Hij laat zich zonder tegenspartelen door de medewerkers van het Dolfinarium op zijn zij draaien, maar knijpt ondertussen protesterend zijn kleine kraaloogjes stevig dicht. De assistente noteert 36,4 graden. Nadat een klein wondje met antibiotica is behandeld en foto’s zijn gemaakt van zijn rugvin, mag hij weer op de brancard.
Eenmaal terug in het water zwemt hij een vreugderondje en komt dan toch weer naar de kant om zijn visjes in ontvangst te nemen.

Geluidsonderzoek
Dan stappen John en Eline in hun duikpakken voor de tweede keer in een van de kleine pens en steken hun armen uit. Dolfijn Rineke begrijpt het signaal en legt uit eigen beweging haar snuit in de handen. Zij is aan de beurt om gemeten en gewogen te worden.
Rineke is in februari bij Petten gestrand met longontsteking. Zij is inmiddels zover opgeknapt, dat ze dit jaar nog uitgezet kan worden om haar vrije leventje weer op te pakken.
Johan blijft waarschijnlijk, anders dan gebruikelijk, de rest van zijn leven in de dolfijnenopvang. De belangrijkste reden is zijn geringe overlevingskans op zee. Doordat hij zo jong strandde, heeft hij niet geleerd in een natuurlijke omgeving voor zichzelf te zorgen. Dat is misschien jammer, maar het heeft ook een groot voordeel. Hij kan meedoen aan een geluidsonderzoek, waardoor in de toekomst waarschijnlijk honderden dolfijnenlevens worden gered. Hij is zich van dat mooie doel niet bewust. Maar dat hij de dagelijkse proeven als een welkom speelkwartiertje ervaart, is te merken aan zijn enthousiaste medewerking.

Test
“We willen jullie verzoeken om tijdens de test niet rond te lopen,” deelt Mirjam ons vriendelijk maar beslist mee voordat ze in het bootje stapt. Zij zal Johan straks belonen met vis, elke keer als hij zijn opdrachten goed heeft uitgevoerd.
Tijdens het onderzoek is elk bijgeluid storend, omdat het de resultaten van de test beïnvloedt. Rineke is intussen naar een kleine pen geroepen en wordt daar bezig gehouden, zodat ze Johan niet kan afleiden. Het ‘proefkonijn’ dartelt ongedurig rond voor de houten cabine op de kant, waarin zich allerlei beeld- en geluidsapparatuur bevindt. Een cirkel van zestien luidsprekers met rode boeitjes is te water gelaten tot anderhalf meter diepte. Precies in het centrum staat een pvc-buis met een rubberen deurstopper, waarbij een camera is opgehangen. Dat is Johans startpunt. Straks zal iemand van het onderzoeksteam vanuit de cabine geluiden laten horen uit steeds een andere luidspreker.
Het is de bedoeling dat de dolfijn het boeitje aanwijst van die betreffende luidspreker, zodat bepaald kan worden hoe goed hij geluiden kan lokaliseren.

Pingers
Kastelein is al geruime tijd bezig met het geluidsonderzoek. Mede aan de hand van het vermogen om geluiden te kunnen lokaliseren, kan uitgerekend worden hoeveel pingers, minuscule elektronische apparaatjes die het geluid uitzenden, op de vissersnetten bevestigd moeten worden. Hoeveel dat er zullen zijn, is ook afhankelijk van de sterkte van het signaal. Het moet zo hard klinken dat de bruinvis er tijdig door wordt afgeschrikt, want als hij in een net verstrikt raakt, kan hij niet meer naar het wateroppervlak komen om te ademen en dan verdrinkt hij. Maar het geluid mag ook weer niet zo hard zijn dat er geluidsvervuiling ontstaat.
De visvangst en het onderwaterleven mogen er niet door verstoord worden. Kastelein heeft al ontdekt dat bruinvissen de ‘sweep’ heel vervelend vinden. Dat is een fluittoon die van hoog naar laag gaat of viceversa. Die geluidssignalen moeten elkaar in hoog tempo opvolgen, omdat anders het schrikeffect niet lang genoeg duurt om de dolfijntjes bij de visnetten weg te houden. Bovendien is het van belang dat de geluidssoort en -duur onregelmatig zijn, om te voorkomen dat ze er aan gaan wennen. Kortom, er zijn talloze aspecten waarmee rekening gehouden moet worden.

Sirenes en vogelgeluidjes
In de Verenigde Staten werkten ze al een tijd met pingers. Maar ze ontdekten dat ze daarmee niet alleen minder bruinvis in hun netten vingen, maar ook minder vis. Toen hebben ze de pingers opgestuurd naar Kastelein met het verzoek hun effect op de bruinvissen in de pen te onderzoeken.
“Een van de dingen die ik toen heb gedaan,” vertelt de onderzoeker met een tikje ondeugendheid, “is in een speelgoedwinkel zo’n apparaatje kopen waar je allerlei geluiden uit kunt halen, zoals sirenes en vogelfluitjes. Daarmee kon ik al grofweg bepalen waar de bruinvissen op reageren.
” Welk geluid voor de beroepsvisserij uiteindelijk het meest bruikbaar is, moet waarschijnlijk uit de praktijk blijken. Het is inmiddels bekend dat de meeste vissoorten gevoelig zijn voor lage tonen, en welke frequenties dat precies zijn, is weer afhankelijk van de diepte waar de vis zich ophoudt.
Maar gedetailleerde informatie is nog niet bekend. “Op de een of andere manier is het veel moeilijker geld te krijgen voor onderzoek naar vissen dan naar dolfijnen,” verzucht Kastelein.

Beloning
“Nummer 8 is goed,” wordt er geroepen. Johan heeft zojuist boei 8 met zijn snuit aangetikt, omdat daar vandaan het signaal klonk. Mirjam blaast op het fluitje en de jonge bruinvis gaat zijn beloning halen bij het bootje waarin ze zit. Als ze met gestrekte arm naar het midden van de pen wijst, haast Johan zich weer naar het startpunt om te wachten op de volgende opdracht.
Op het beeldscherm in de cabine is te zien dat hij precies in de juiste positie ligt. ‘Pfwriet!’ daar gaat Mirjams fluitje weer. Johan wordt nu beloond omdat hij mooi recht ligt. Hoe rechter hij in het centrum ligt, hoe zuiverder de resultaten van de gehoortest zijn.
Kastelein vermoedt al dat hij geluid van achteren moeilijker kan lokaliseren. En inderdaad, het volgende geluid komt van achteren en Johan wijst prompt de verkeerde boei aan. Maar het uiteindelijke resultaat is helemaal niet slecht: slechts vier van de tweeëntwintig opdrachten waren fout.
Ron Kastelein is redelijk tevreden. Ze hebben dit jaar (1999) helaas maar één frequentie kunnen testen in plaats van de geplande drie. “Maar al met al was het een veel beter jaar dan 1998. Toen heeft het veel geregend en gewaaid. En aangezien regen op het wateroppervlak voor Johan klinkt als een stortbui op een golfplaten dak, konden heel veel proeven geen doorgang vinden,” resumeert hij.
Het hele onderzoek zal nog wel een paar jaar duren. Kastelein hoopt dat pingers uiteindelijk in alle landen op het noordelijk halfrond verplicht gaat worden, zoals in de VS nu al het geval is. Maar dat is een taak van de overheid, niet van de onderzoeker. Hijzelf zal zijn conclusies eerst op een symposium en later in een Engels wetenschappelijk tijdschrift bekend maken. De internationale contacten zijn in ieder geval goed: nog tien andere instellingen doen onderzoek naar methodes om bijvangst te verminderen.
“Overigens zijn wij de enigen die op deze schaal bruinvis opvangen en bestuderen,” zegt Kastelein zichtbaar trots. “Daarom vind ik mijn werk zo verschrikkelijk leuk. Er is nog maar heel weinig bekend over deze zoogdieren. Wij maken eigenlijk elke dag een beetje geschiedenis.”