Geluidstesten voor zeehonden

Rijkswaterstaat laat onderzoeken welke gevolgen de geluiden van een nieuw veiligheidssysteem voor de Westerschelde hebben op zeehonden. Om de veiligheid op de vaarweg te verbeteren worden nieuwe sensoren ontwikkeld, die hun data onder water versturen.

Onderzoeksbureau Seamarco onderzoekt in Ouwehands Dierenpark in Rhenen welke gevolgen dat heeft op zeehonden. Daarmee moet worden voorkomen dat de geluiden de dieren afschrikken.

`Tijdelijk geen toegang tot de zeehonden in verband met wetenschappelijk onderzoek’, lezen bezoekers van Ouwehands Dierenpark in Rhenen soms als zij ‘s ochtends vroeg `het Noordzeewad’ willen bezoeken. Biologen Ron Kastelein en Sander van der Heul van de Sea Mammal Research Company SEAMARCO zijn voordat de drukte in de dierentuin echt op gang komt bezig met geluidsexperimenten om te zien hoe zeehonden reageren op pieptonen onder water.

Het onderzoek is onderdeel van de milieu-effect rapportage van een nieuw stromingsdetectiesysteem ten behoeve van de scheepvaart in onder andere de Westerschelde. Een Europees consortium van onder meer Rijkswaterstaat en TNO werkt aan de ontwikkeling van ACME, het Acoustic Communication network for Monitoring of underwater Environment in coastal areas. Het systeem bestaat uit een aantal losse sensoren op de bodem die ter plaatse de waterstand, golfhoogte en stroming meten en dat draadloos via een akoestisch modem aan elkaar en tenslotte naar de wal doorgeven. Dat gaat via pieptonen en ruisgeluiden.

Met het ACME-systeem krijgen schepen real-time informatie door, en dat betekent een flinke verbetering van de veiligheid op de druk bevaren en vanwege de getijdestroming verradelijke Westerschelde. De ingenieurs van het ACME-project ontwierpen vier verschillende akoestische signalen, die nu op de zeehonden in Ouwehands Dierenpark worden getest. De geluidssignalen zijn verschillend opgebouwd, maar liggen allemaal rond de 12 kHz. Lagere frequenties worden gemaskeerd door scheepsgeluiden en hogere frequenties dragen niet ver genoeg.

Het L-vormige testbassin van het Noordzeewad is een voormalig zwembad. Het is het grootste bassin voor zeehonden in Europa. Van der Heul laat een grote onderwaterluidspreker in het water zakken en speelt de geluiden af. Drie camera’s filmen van bovenaf de reacties van de negen zeehonden. ‘s Middags speelt Van der Heul de banden af op een grote televisie, met lijnen op het scherm die het bad, dat uit een vaste positie in beeld komt, keurig in vakjes verdeelt. Nauwkeurig turft Van der Heul op welke plaatsen de zeehonden boven komen om adem te halen.

Kastelein: “We verhogen het geluidsniveau langzaam en kijken naar de reactie van de dieren. Normaal bevinden de dieren zich gemiddeld op acht meter afstand van de hydrofoon, maar als het geluid aan is wordt dat veertien meter. Als we de luidspreker na afloop uitzetten, zijn de dieren binnen dertig seconden weer terug. De dieren vinden het geluid onprettig, maar ze zijn er niet bang voor.”

Het onderzoek moet uitwijzen bij welk geluidsniveau dieren het geluid hinderlijk vinden en de gebieden gaan mijden. Eerder deed Kastelein een zelfde onderzoek bij twee bruinvissen. Kastelein en Van der Heul constateerden bij beide diersoorten dat een subtiel verschil in geluid al een groot verschil in gedrag kan teweegbrengen. Uiteindelijk zullen zij advies uitbrengen welk geluid en welk geluidsniveau uit biologisch oogpunt het meest acceptabel is.

Kastelein: “Het bronniveau van het geluid moet worden afgestemd op de in het gebied voorkomende zeezoogdiersoorten en de akoestische eigenschappen van de omgeving. De geluidsniveaus zijn te laag om bij de dieren gehoorbeschadiging te veroorzaaken, maar de aanwezigheid van vreemde pieptonen en ruisbandjes kan de dieren wel afschrikken. Als norm zou kunnen gelden dat maximaal de helft van een zeearm geblokkeerd mag worden door geluid. De beleidsmaker moet de afweging maken, wij leveren de gegevens.”

In september gaat Rijkswaterstaat proeven doen in de Westerschelde. “Dat is bijzonder”, zegt Kastelein, “dat we vóór de praktijkproef al metingen hebben gedaan aan de dieren. Zo kan de techniek nog worden aangepast aan de hand van biologische gegevens.”