Duikelend dier gedijt in Delta

Voor de boeg van snelvarende schepen sprongen ze op, de bruinvissen. Als oud-visser en Saeftinghe-kenner Richard Bleijenberg uit Nieuw-Namen dat zag, voelde hij de schepping. Kort na de Tweede Wereldoorlog speelde zich dit af, op de Westerschelde, bij Saeftinghe. Lang zijn ze weggeweest, de bruinvissen, maar ze komen terug, ook in de Zeeuwse wateren.

Chris Smeenk, conservator zoogdieren bij het nationaal natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden, kan het zich nauwelijks voorstellen dat Bleijenberg bruinvissen heeft zien springen. Dolfijnen doen dat wel, maar van bruinvissen zie je vrijwel nooit meer dan alleen de rugvin en de bovenkant van de rug. Ze leven niet in groepen zoals dolfijnen, die springen om met elkaar te communiceren. Bruinvissen zijn minder sociaal, gaan alleen door het leven of hooguit met z’n tweeën of drieën. Dat maakt het ook zo moeilijk het aantal bruinvissen op de Noordzee goed in te schatten. Maar dat ze aan het terugkomen zijn in de Nederlandse wateren, dat staat vast. Steeds meer bruinvissen spoelen aan op de Hollandse en Zeeuwse stranden, dood en levend. Dat is een goed teken, hoe vreemd het ook klinkt. En steeds meer bruinvissen worden in Nederlandse wateren geteld, door waarnemers vanaf de kust, vanaf schepen en vanuit vliegtuigen.

Tot eind jaren vijftig, begin jaren zestig zaten er zoveel bruinvissen voor de Nederlandse kust en in het Zeeuwse Deltagebied dat deskundigen er nauwelijks op letten. Onderzoek werd er praktisch niet naar gedaan. “Maar het is net als de laatste tijd met de huismussen”, zegt Smeenk, “pas als het te laat is, wordt er alarm geslagen. Komt er meer aandacht voor.” Niet dat vissers en natuurliefhebbers geen oog hadden voor bruinvissen. Ze konden er domweg niet omheen. Schrijver Hans Warren verhaalt erover in zijn natuurdagboek, dat hij van 1936 tot 1942 bijhield. Vanaf de dijk bij Borssele, waar hij met zijn ouders woonde, zag hij ze zwemmen.

Warren noteerde 24 september 1940: ‘Een school voorbijzwemmende bruinvissen bracht veel commotie teweeg onder de meeuwachtigen. Ze gingen vlak boven het water vliegen, allemaal in dezelfde richting. Tegen de tijd dat de rugvinnen van de bruinvissen boven water zouden komen, plonsden er tientallen sterns gelijk neer. Er waren dwergmeeuwen bij, jong en oud met gitzwarte, witgezoomde ondervleugels. Ongetwijfeld jagen de duikende dieren veel vissen voor zich uit.’

Dit schouwspel, bijna een toeristische attractie, ontrolt zich niet meer op de Westerschelde. Maar wat niet is, kan terugkomen met de bruinvispopulatie. Smeenk en zijn assistente Marjan Addink, biologe bij Naturalis, hebben goede hoop. De vervuiling waarvan bruinvissen en zeehonden zo’n beetje de eerste slachtoffers waren, omdat ze aan de top van de voedselketen zitten, is teruggedrongen. Vooral pcb’s hebben voor problemen gezorgd. Die stoffen verstoren de voortplanting. Vrouwtjes worden minder snel zwanger en belasten de jongen met gif. “Nog steeds is het pcb-gehalte hoog”, weet Addink uit weefsel-analyses van aangespoelde bruinvissen, “maar het neemt af.”

Overbevissing is mogelijk een andere oorzaak van de teruggang. Zo ging de haringstand in de jaren zestig onderuit en bruinvissen schijnen graag haring te eten. Maar onderzoek naar de maaginhoud van bruinvissen is in die tijd niet verricht. Addink en Smeenk moeten zich verlaten op de eigen secties. En daaruit blijkt dat in Nederland gevonden bruinvissen zich vooral tegoed doen aan wijting en grondels. Zandspiering wordt de laatste tijd ook steeds vaker in hun maag aangetroffen. “Ze lijken over te kunnen schakelen op andere vissoorten die meer voorkomen.”

Smeenk en Addink houden voortdurend slagen om de arm. Zij zijn niet voor niets wetenschappers, maar over één ding spreken zij hun verontwaardiging uit, dat voor Nederlandse wateren nog vergunningen worden afgegeven voor het vissen met staand want; netten die in het water worden gezet, onder meer rondom scheepswrakken. Veel bruinvissen die denken een maaltje te vinden, verdrinken in die netten. Ze moeten om adem te halen van tijd tot tijd met hun ademopening , hun spuit- of blaasgat, boven water komen. “Netten van touw kunnen ze goed met hun sonar of echopeiling onderscheiden”, vertelt Smeenk, “omdat er luchtbellen rond zitten, maar met de huidige nylonnetten kunnen ze dat niet. Die kaatsen niets terug. Ze nemen alleen de vis in die kunststofnetten waar, gaan erop af en blijven steken.” Bruinvissen die aanspoelen, hebben vaak striemen op de kop van de netten of de rugvin, borstvinnen (flippers) of staartvinnen zijn weg, losgesneden. Naar schatting zestig procent van alle gestrande bruinvissen is daarvan het slachtoffer.

Het zou Addink en Smeenk een lief ding waard zijn als de Nederlandse overheid stopte met de uitgifte van vergunningen voor staand want. Volgens Smeenk worden die zelfs nog aan sportvissers gegeven. Denemarken, Duitsland en Engeland maken, weet hij, veel meer werk van het tegengaan van bijvangsten van bruinvissen en andere walvisachtigen, terwijl Nederland net zo goed verplicht is die zeezoogdieren te beschermen.

Twee- tot driehonderdduizend bruinvissen zijn er naar schatting in de hele Noordzee, met name in het noordelijk deel. In de Nederlandse wateren gaat het om ‘wellicht enkele duizenden’, vermoeden Addink en Smeenk, die bovendien vooral in de wintermaanden te gast lijken te zijn. ‘s Zomers spoelen er veel minder bruinvissen aan. Of er sprake is van een echte toename of een verhuizing van bruinvissen uit andere delen van de Noordzee, durven ze dan ook nog niet met zekerheid te zeggen. Smeenk: “De populatie bruinvissen in het Nederlandse deel van de Noordzee blijft al met al kwetsbaar.”

De vrij stompe kop is het kenmerk van de bruinvis, de kleinste walvisachtige van de Noordzee. Anderhalve meter en zo’n veertig tot vijftig kilo zwaar wordt een volwassen exemplaar. Bij de geboorte, na een draagtijd van elf maanden, meet een jonge bruinvis al zeventig tot tachtig centimeter. De meeste jongen worden ‘s zomers geboren. Ze worden tot februari, maart gevoed door hun moeder met melk, waarna ze zelfstandig hun weg en eten (vis) moeten zien te vinden. Bruinvissen zijn zoogdieren, ademen door longen en zijn warmbloedig. In het Zeeuwse en Zuidhollandse Deltagebied houdt de Eerste Hulp Bij Zeezoogdieren (EHBZ) sinds 1993 het aantal dood en levend gestrande bruinvissen bij. De dode dieren gaan voor onderzoek naar Naturalis in Leiden en de levende naar het dolfinarium in Harderwijk. Zeker de laatste jaren is een stijgende lijn te zien. Spoelden van 1995 tot en met 1998 jaarlijks vier tot acht bruinvissen aan. Sinds 1999 is het aantal sprongsgewijs gestegen, van veertien in 1999 tot twintig in 2001. Vorig jaar is een record gebroken met éénendertig bruinvissen, waarvan één levende, en dit jaar staat de teller tot vorige week donderdag op twintig, waarvan twee levende.

bron: PZC, 22 juli 2003 – Harmen van der Werf